Formeel

 

Formele kunst is kunst die volgens formele regels tot stand komt. Dat wil zeggen dat de kunstenaar uitgaat van, bijvoorbeeld, een aantal vaste maten en verhoudingen van elementen en daarmee een sculptuur maakt. Het werk zal dan een bepaalde ordening, herhaling of opbouw tonen van deze elementen. Formele kunst wordt ook wel systematische of geometrisch-abstracte kunst genoemd. Een andere naam is concrete kunst: het gaat in concrete kunstwerken om de afspraken en de regels die van te voren zijn opgesteld en die het kunstwerk bepalen.

 

In 1930 publiceert Theo van Doesburg zijn manifest over de concrete kunst: hij formuleert daarin o.a. het beginsel dat abstracte kunst van concrete kunst verschilt omdat de laatste op geen enkele manier afgeleid wordt van de natuur of van de werkelijkheid - natuur of werkelijkheid worden in het creatieve proces niet geabstraheerd, zoals bijvoorbeeld Piet Mondriaan in een reeks van schilderijen van een appelboom tot een steeds verder gaande abstracte beelding kwam van wat hij beschouwde als de essentie van de appelboom.

 

Concrete kunst, zo stelde Van Doesburg, komt uitsluitend op mentale, conceptuele wijze tot stand.  Vormen en structuren zijn het beginpunt, en door middel van transformatieprocessen komt de kunstenaar tot een beeld. Het gaat dus eerder om de passer en het meetlint, dan om de betekenis van het begin- of eindbeeld. De kunstenaar concentreert zich op de beeldelementen en hun transformatie, de resultaten van een dergelijk proces hebben hun eigen, autonome betekenis.

 

 

 

Cecilia Vissers

 

Wat aan het werk van Cecilia Vissers direct opvalt, is de visueel belangrijke rol van de contour van het object. De sterke begrenzing van haar wandbeelden, als afbakening ten opzichte van de wand, lijkt zich als het ware in de blik van de kijker te branden.

 

Het wil wel eens gebeuren dat de lijst het schilderij maakt - deze schept dan een kader, geeft visueel houvast en definieert bijvoorbeeld het diepteperspectief in het schilderij scherper. De lijst functioneert dan als raamlijst dat het uitzicht mede bepaalt, als het diafragma dat bepaalde kwaliteiten van het beeld mede articuleert. De contouren van Vissers' werken zijn zo krachtig, dat zij het gehele binnenvlak identiteit en dynamiek meegeven.

 

Ieder object in de wereld heeft vorm, kleur, volume, gewicht, textuur. De wandsculpturen van Vissers hebben deze kwaliteiten ook, maar op een autonome manier: ten eerste is iedere kwaliteit zo puur mogelijk gedestilleerd, ten tweede zijn deze kwaliteiten zodanig met elkaar verweven en op elkaar afgestemd, dat zij binnen de contour samenklinken zoals de tonen in een muzikaal accoord.

 

Wij zijn gewend een object, welk dan ook, al met onze ogen te lezen, te gebruiken, te beoordelen welke kwaliteiten aanwezig zijn en welke we kunnen aanwenden voor een bepaald doel. Past dit blok op die plaats in de muur die ik stapel? Staat deze vaas mooi op die plek? We zijn gewend in voorwerpen uit de natuur of uit onze cultuur, hun potentiële mogelijkheden te onderkennen of hun geschiedenis te lezen en te isoleren. We kennen voorwerpen functie en plaats toe.

 

Cecilia Vissers wandbeelden zijn volstrekt autonome objecten, in zichzelf gekeerd, nutteloos, prachtig, aanwezig, onbruikbaar. Het lijken objecten die zijn gecreëerd om hun ontstaansproces nooit te verraden. Puur visueel gesproken is niet duidelijk of de vorm van het object is ontstaan omdat er (van buiten af) een ingreep is gedaan in het materiaal, of dat het materiaal  (van binnen uit) die vorm heeft aangenomen. (Sommige meerdelige werken laten wel de ingreep als gebeurtenis zien, zoals Gaoth (2010) en Very Likely (2010).)

 

In de beeldtheorie spreken we van het onderscheid tussen figuur en achtergrond: een vorm manifesteert zich altijd tegen een (groter) vlak en de visuele dynamiek van hun grenzen en de visuele verhouding van hun (gesuggereerde) volumes kan in hoge mate esthetisch worden opgeladen. Bij veel moderne, en zeker bij de eerste abstract werkende kunstenaars, is de figuur/achtergrond-verhouding tot een belangrijk beeldend middel geworden om een eigen visuele taal te ontwikkelen, bijvoorbeeld in Matisse's schilderijen over de dans en zijn grote collages uit de laatste jaren van zijn leven. Ik denk ook aan reliëfs en assemblages van Arp, tekeningen en schilderijen van Ellsworth Kelly en in Nederland aan het werk van Ad Dekkers en Ben Akkerman.

 

Cecilia Vissers heeft met het werk van Arp en Kelly iets belangrijks gemeen: bij deze kunstenaars, hoe abstract zij ook werken, klinkt steeds de inspiratie mee vanuit organische, natuurlijke vormen en structuren zoals bloemen, blad- en boomvormen, plantengroei en geologische formaties. Vissers is gefascineerd door de mogelijkheid dat haar werk en dat de natuur ervaringen bieden die parallel zijn. Dit zien we vaak terug in haar titels: Orange Tide, Follow the River, Wald, Blacksod Bay, Wolkje (waarbij iedere titel voor een serie van werken kan staan).

 

Werkverblijven en Ierland en Schotland gaven haar de ervaring van het lopen over de grenslijnen tussen machtige ruimtes: de grens tussen klif, zee en hemel, het gevoel van "verder kun je niet gaan." Maar ook industriële landschappen (Corus IJmuiden of het Ruhrgebiet) en het profiel avn een stad inspireren haar.

 

De werken van Cecilia Vissers zijn systematisch, dat wil zeggen dat geometrische vormen en verhoudingen belangrijk zijn, maar in tegenstelling tot andere varianten van concrete kunst (bijvoorbeeld de schilderijen van José Heerkens) presenteren zij zich niet als documenten van een (min of meer leesbaar) ontstaansproces. Haar werk hoort daardoor tot de Nederlandse traditie van concrete kunst die door kunstenaars als Van Doesburg, Dekkers, Schoonhoven en Akkerman wordt gedefinieerd; een traditie die misschien op het eerste gezicht ongenaakbaar is, maar waarin de combinatie van intensiteit, intimiteit en stilte tot buitengewoon heldere resultaten voert.

 

Tekst Cees de Boer, kunsthistoricus, Amsterdam, verschenen bij de expositie 'Formeel' in Museum Waterland, 2010

 

photo cecilia vissers