Sound of Canna

photo cecilia vissers

 

De beelden van Cecilia Vissers zijn (meestal) tweedimensionaal. De derde dimensie ontstaat door twee platte delen in te zagen en in elkaar te schuiven. Introverte, maar monumentale en poëtische wand- en muurbeelden, uitgevoerd in ijzer of aluminium. Daarnaast maakt ze tekeningen die soms als voorstudie dienen, maar meestal autonome werken zijn die zowel monumentaal als poëtisch zijn te noemen. Werk dat wil zijn als de maker: bedachtzaam, helder en overtuigend.

 

Al werkend naar een evenwicht tussen organische en geometrische vormen, naar een letterlijke balans tussen de 'zware' elementen, ontstaan lichte, platte beelden op de grens van rede en gevoel, verstand en intuïtie. Want ondanks de strengheid van de vormen, die inherent is aan het gebruikte materiaal, zijn de beelden van Cecilia Vissers niet koel en uitsluitend verstandelijk gecomponeerd, maar warm en met veel gevoel tot stand gebracht. Dan herken je bloemvormen (Kruisbloemen, 2008), stillevens en landschappen. Bekende genres in de schilderkunst van de afgelopen eeuwen, bij Vissers teruggebracht tot de essentie, tot composities van eenvoudige ijzeren, stalen of aluminium vormen waarop de term verstilling van toepassing is. De vroegste beelden waren massief en zwaar en opgebouwd uit geometrische vormen. In de loop der jaren is het werk lichter van toets geworden en werden ronde vormen, krullen en spiralen toegelaten. Curling on the Floor to heavy to move (1998) en Sundial (1998) zijn daarvan mooie voorbeelden.

 

De verschuivingen in het werk zijn minimaal. Wat steeds blijft is de curve als symbool voor de horizon, een bloemblad, wolk of berg. Een kromme lijn, in tegenstelling tot de rechte lijn van Ad Dekkers. Tegenstellingen die in de beeldende kunst regelmatig optreden: horizontalen en verticalen bij Piet Mondriaan (1872-1944), de diagonaal bij Theo van Doesburg (1883-1931). Aan die strenge geometrie voegde Bart van der Leck (1876-1958) zijn eigen werkelijkheid toe. Een geabstraheerde figuratie. Zoals ook Cecilia Vissers dat doet. Ze rond een rechte hoek af, maakt inkepingen in cirkels en doorklieft een rechthoekig blok. Een gruwel voor de purist, tevredenheid bij de beschouwer die de geometrische vormentaal als dogmatisch ervaart. In die zin is ze evenzeer schatplichtig aan de Minimal Art uit de jaren zestig en zeventig toen aluminium of stalen platen aaneengeschakeld op de vloer werden gerangschikt (Carl Andre, 1935) of platte aluminium of stalen dozen aan de wand werden bevestigd (Donald Judd, 1928-1994). Geometrische, seriële vormen en een materiaal kenmerkende huid waren kenmerken die bij Vissers zijn terug te vinden, maar die op een andere wijze worden ingezet, los van de knellende regels. Vissers verbeeldt haar eigen werkelijkheid, maar staat desondanks in de traditie van de minimalistische (en ook Nederlandse) kunst. Het landschap, zoals in Triptiek  I, II en III (2005-2008), Grey Garden (2005), Grey Mountain (2005) en Sound of Canna (2008) wordt teruggebracht tot een vormentaal die refereert aan wolken, water en de horizon, maar ook aan zonsopgang en -ondergang, de flora tot een bijna clichématige bloemvorm en de kosmos tot cirkels en sterren. Maar wel met de gelaagdheid die bij deze genres horen. Het materiaalgebruik maakt de cirkel rond, want staal ontstaat uit een samenspel van de elementen aarde, lucht, vuur en water. “Alles viel op z’n plaats tijdens een verblijf op de Hebriden”, zegt Cecilia Vissers. “De golven, de bergen, de contouren van de eilanden in de verte, de grijsblauwe luchten. Daar zag ik in de curven van het landschap mijn eigen beelden terug. Meestal is het andersom, maak je werk dat zich vastzet in je herinnering, als neerslag van wat je hebt ervaren. Maar daar zag ik dat mijn beelden werkelijkheid waren geworden. Deze ontdekking sterkte me in mijn idee dat ik op de goede weg zat. Mijn werk is niet sociaal of politiek geëngageerd, ik doe wat ik vind dat ik moet doen. In deze disciplines, in deze taal. Hoewel in de gelaagdheid wel een positieve boodschap zit. Na iedere golf of na iedere wolk komt weer een volgende, dat gaat steeds door. De voortgang van het leven. Opgesloten in elkaar overlappende platen staal, zoals bergen en wolken elkaar verdringen.”

 

Sound of Canna (2008) is een muurbeeld in de vorm van een golf of wolk. Geïsoleerd uit de lucht of de zee en gefixeerd in staal. Een droom of een utopie? “Ik droom in staal”, heeft Cecilia Vissers ooit eens gezegd. “Het is een poging het onmogelijke te bereiken, een wolk, een golf, een droom te vangen in staal. Dat luchtige, ongrijpbare, altijd doorgaande vast te houden in een stalen beeld. Hoe beter ik het materiaal leer kennen, hoe meer mogelijkheden ik zie. De dromen blijven, het onbewuste dirigeert, de ijzeren wil stuurt. De utopie wordt werkelijkheid.”

 

Hoewel ieder beeld past in het oeuvre, worden sommige beelden boven de lijn van de langzame ontwikkeling uitgetild. Het recente Sound of Canna is zo’n beeld, maar ook de beide beelden Orange Tide I (2008) en Orange Tide II (2008), uitgevoerd in oranje geanodiseerd aluminium, lijken de ontwikkeling te beïnvloeden of te versnellen. Cecilia Vissers werkte tot voor kort vrijwel uitsluitend met de materiaalkleur van staal of aluminium, een enkel beeld werd zwart of grijs. In 2007 is daar oranje bijgekomen. Oranje, als suggestie reeds aanwezig in Sundial / Zonsondergang (1998), representeert levensenergie en combineert de schittering van geel en de vitaliteit van rood. Vaak gebruikt voor zonsondergangen die een heel tafereel domineren. “Oranje kan een situatie overheersen zonder schaduwzijden op te roepen. Orange Tide I en II zijn muurbeelden waarbij de ingreep minimaal is geweest en de curve de vorm van een wolk of golf laat. De combinatie van minimale ingreep en maximaal kleurgebruik is een uitzondering in mijn werk.”

 

Ook tot het recente werk behoren de vlinder- en medardusvormen. De vlinder, geconcentreerd in de serie Opgeprikt en ingekort (vanaf 2007), is bij Cecilia een cirkel met links en rechts gestileerde vleugels die sterk doen denken aan vroegere werken als My Bay (2001) of Square Bay (2003). De vlinderserie is ontwikkeld na het zien van het filmpje Butterfly Man van de Australische Samantha Rebillet over een vlinderverzamelaar die tijdens een dans van een rups in een vlinder verandert. Diezelfde metamorfose ondergaan de beelden. Ingekort en opgeprikt in de laatjes van een vlinderverzamelaar. Ook hier wordt het oranje gehanteerd.

De medarduswerken (2008) zijn cirkelvormen met gekruiste lijnpatronen als een opengeslagen paraplu met baleinen. De heilige Medardus (456-545) werd volgens de legende als kind tegen de regen beschermd door een zwevende engel. Hij is dan ook de patroonheilige van de paraplumakers. Het thema is uitgewerkt in een reeks tekeningen die qua vormentaal direct aansluiten bij de beelden, maar luchtiger en lichter van toets zijn. Ze passen uitstekend in het zich langzaam ontwikkelende oeuvre van een kunstenaar die de beschouwer graag uit de realiteit wil ontvoeren en een krachtige herinnering wil achterlaten.

 

Piet Augustijn conservator hedendaagse kunst Gorcums Museum, Gorinchem, April 2008